HOLLYWOOD aan de Duivendrechtse kade (1947)

Aanleiding
Cinetone herrijst uit de oorlogsschade
Dit krantenartikel van 20 augustus 1947 beschrijft de feestelijke heropening van de Cinetone Filmstudio's aan de Duivendrechtse kade in Amsterdam. Voor de Tweede Wereldoorlog was Cinetone het belangrijkste filmproductiecentrum van Nederland, maar tijdens de Duitse bezetting werd het complex grotendeels ontmanteld. Bij de bevrijding waren vrijwel alle waardevolle installaties verdwenen. Dankzij een investering van ongeveer één miljoen gulden van de Nederlandse Bioscoopbond konden de studio's binnen enkele jaren volledig worden herbouwd.
Opmerkelijk
Opvallend is de terloopse vermelding van Joop Geesink, die zijn intrek zou nemen in de afdeling voor reclamefilms. In 1947 was hij nog een jonge ondernemer, maar juist op het terrein achter Cinetone bouwde hij zijn eigen animatiestudio Dollywood op. Van daaruit zou hij uitgroeien tot de internationaal bekendste Nederlandse producent van stop-motion-animatie en de latere geestelijk vader van Loeki de Leeuw.
Achteraf is deze korte verwijzing bijzonder. De journalist kon niet vermoeden dat Geesink uiteindelijk de succesvolste filmondernemer van het Cinetone-complex zou worden. Het artikel markeert daarmee niet alleen de wederopbouw van de Nederlandse filmindustrie, maar ook het begin van een carrière die de Nederlandse animatie wereldwijd op de kaart zou zetten.
Bron: De Tijd, 20 augustus 1947
Tekst uit artikel:
HOLLYWOOD aan de Duivendrechtse kade
"Cinetone"-studio herrezen
(Van onze speciale verslaggever.)
De mammie uit het liedje van wijlen Louis Davids kan weer gaan filmen in Duivendrecht, als ze daar zin in heeft. Want woensdagmiddag om half vier worden de „Cinetone”-filmstudio's aan de Duivendrechtse kade, die door de Duitsers ingrijpend afgetakeld werden achtergelaten, geheel gerestaureerd officieel heropend.
Geheel gerestaureerd is eigenlijk een te zwakke kwalificatie voor de herbouw van deze studio's tot een filmstad, die wat outillage betreft, voor Hollywood werkelijk niet onder te doen hoeft. Men heeft zich bij het inrichten van de nieuwe studio's laten inlichten door de beste buitenlandse experts, alhoewel het feitelijke werk, in de afgelopen korte tijd van één jaar, door eigen personeel gedaan is.
Een kras staaltje van deze zelfwerkzaamheid is wel, dat vijf leden van de technische staf een ingenieuze machine, de „omvormer" heet die, hebben samengesteld om wisselstroom in gelijkstroom om te zetten, in vier maanden tijds herstelden van een onmogelijke wrak tot een bedrijfsklare machine. Een karwei waarvoor een erkende fabriek drieënhalf jaar had berekend.
De studio telt twee opnamehallen. De afmetingen van de kleinste zijn 24 × 16 × 8,5 meter en zij wordt reeds in gereedheid gebracht voor de opnamen van de film „Niet tevergeefs”. Men kan er op het ogenblik de fragmenten van de decors voor een enorme molen en voor het interieur van een boerderij aantreffen.
De lampen, een zeer voornaam technisch onderdeel bij het maken van films, behoren tot de beste die in Engeland te verkrijgen waren, en men kan slechts hopen dat ook de te maken rolprenten kunnen wedijveren met de beste Engelse. Maar ook de rest van de apparatuur is navenant. Om nog maar niet te spreken van de uitgeruste moderne kopieerinstallatie (die tevens als bioscoopzaal dienstdoet), van de luxueuze kamer voor „sterren”, van de nog luxueuzere kleedkamer voor „dure” sterren en van de afdeling die bestemd is voor het maken van reclamefilms, waar onder meer Joop Geesink zijn intrek zal nemen.
Het was de Nederlandse Bioscoopbond, die uit vrijwillige bijdragen van zijn leden het bedrag van één miljoen gulden fourneerde, nodig om dit prachtige filmbedrijf weer te zetten. En de Bond had daarbij het loffelijke doel een werkgelegenheid voor de Nederlandse filmindustrie te scheppen.
Commerciële bijgedachten waren er niet bij de pas en eventuele winst zou worden besteed voor de verbetering en uitbreiding (voor zover nodig en mogelijk) van de outillage. (uitrusting of apparatuur – RED)
Inmiddels moet men nu weer niet denken, dat de ene Nederlandse film na de andere de studio's zal verlaten, want men doet ook pogingen buitenlandse maatschappijen voor de „Cinetone” te interesseren. En tot op heden niet zonder succes. Verschillende Amerikaanse producenten zijn al komen kijken en zij zijn eenstemmig vol lof over het Nederlandse Hollywood.
En de Nederlandse (zakelijke) filmkringen zouden op hun beurt met volle optimisme zijn, ware het niet dat minister Lieftinck's vermakelijkheidsbelasting van 35 procent er nog is...
Bron: De Tijd, 20 augustus 1947
Terug naar artikel overzicht


