Joop Geesink - de Samson van Dollywood (1965)

Aanleiding
Het is 1965. Joop Geesink’s Dollywood en zijn andere productiemaatschappijen worden gezien als internationaal voorbeeld voor Nederlandse ondernemerschap. In deze periode is gestart met de nieuwbouw studio, die beoogd is de grootste van Europa te worden. Joop Geesink ontvangt graag journalisten en geeft hun een bloemlezing van zijn zakelijke geschiedenis. Deze kan overigens nogal eens iets gekleurd zijn.
De titel verklaard
De verwijzing naar Samson is een woordspeling op Simson, de Bijbelse held die bekendstaat om zijn bovennatuurlijke kracht. In het artikel wordt Joop Geesink zo genoemd omdat hij met zijn poppen- en reclamefilms een soort “krachtpatser” of bijzonder succesvolle figuur in de Nederlandse filmwereld was.
Kort gezegd: de titel noemt Geesink de “Samson van Dollywood” als erenaam voor zijn kracht, invloed en verbeeldingskracht in de reclamefilm.
Het artikel is door de redacteur op lichte toon geschreven, met wat taalkundige verwijzingen naar actualiteiten uit die tijd: Met “Tjsombe” wordt Moïse Tshombe bedoeld, de Congolese politicus die in de jaren 1964-1965 premier van Congo was en eerder betrokken was bij de afscheiding van Katanga. In zulke teksten uit die tijd werd zijn naam vaak gebruikt als verwijzing naar het toen zeer zichtbare, postkoloniale Congo-debat rond zogenaamde “ontwikkelingslanden”.
Verder is er een verwijzing naar een Nederlandse Olympische sporter, Anton Geesink, die alleen toevallig de zelfde achternaam heeft. In dit kader wordt naar Anton Geesink verwezen omdat hij als judoka óók een krachtpatser is, zoals Joop Geesink een zakelijke krachtpatser is.
Toelichting op Taalgebruik
De bewoordingen in dit artikel weerspiegelen het taalgebruik van 1965. Sommige termen waren toen gebruikelijk, maar worden tegenwoordig terecht als ongepast beschouwd. In deze reproductie zijn ze alleen behouden om de historische context van de tekst te respecteren.
Tekst uit artikel:
Tot de nieuwste producten van Dollywood behoort een reclamefilmpje van een wasmiddelenfabriek, dat bestemd is voor vertoning in ontwikkelingslanden (tot vóór “Tsjombe” onderontwikkelde gebieden genaamd). Het bedrijf dat de huisvrouwen in Europa bewerkt met leuzen als „Niet alleen u wordt er bleek van”, blijkt voor de Afrikaanse kraalvrouwen weer andere voordelen in petto te hebben. In het filmpje wordt in de eerste plaats gewezen op het gewicht van de zeep, dat niet mis schijnt te zijn. Dit heeft het voordeel dat het stuk niet gemakkelijk kan worden meegevoerd door de stroom, waarin de negervrouwen bij gebrek aan stroom (elektrische) en automatische machines de was doen. De kracht van het middel wordt vergeleken met die van een bodybuilder, dat maar eventjes de was doet waar de medicijnman bijstaat. De kalkaanslag op de bodem van de rivier zal hem én ons een zorg zijn, maar wél hebben wij begrip voor het stamhoofd stroomafwaarts, dat weldra een stammenoorlog zal ontketenen omdat zijn buren de laatste tijd zoveel ‘AHA’ in zijn drinkwater doen.
Joop Geesink treft daarvoor geen blaam, want hij krijgt het recept van dergelijke filmpjes rechtstreeks van de firma die, dankzij een marktonderzoek in Afrika, te weten is gekomen dat de vrouwen daar van kracht, gewicht en bodybuilders houden. Elk land heeft zo zijn bijzondere eisen en wensen, waarmee bij het maken van de reclamefilmpjes rekening moet worden gehouden. Zo is het in Duitsland sinds Hitler verboden om termen als „het grootste”, „het beste” en „het fijnste” te gebruiken.
In Italië mag slechts enkele seconden reclame worden gemaakt in een filmpje dat voor negentig procent onverdacht amusement moet bieden. De Amerikanen daarentegen willen reclame en niets dan reclame. Alle rollen in de filmpjes worden gespeeld door het product, dat iets menselijks heeft gekregen door van de dop of kurk een gezicht en van de verpakking ledematen te maken. Het liefst moeten dan ook nog de decors uit het verpakkingsmateriaal worden geknipt, met de naam van de firma op alle straathoeken.
Van de filmpjes voor Amerika moeten dikwijls een neger- en een blanke versie worden gemaakt. De negers krijgen bijvoorbeeld een flesje aangeprezen dat hen met een zwartgemaakte kroonkurk toespreekt, terwijl de firma bij het blanke volksdeel een wit voetje probeert te halen door het gezicht op de kurk blank te maken.
Zo moet Geesink dus behalve met de maten van de poppenledematen, ook rekening houden met de van de lange tenen van zijn opdrachtgevers. Zijn bedrijf is het grootste in zijn soort ter wereld, wat men echter aan de huidige bedrijfsruimten niet kan afzien. Die bestaat uit een aantal schuren en loodsen met hier en daar een popperig geveltje, dat de indruk moet wekken dat men toch echt in een poppenfilmstad is. Vlak achter dit Maduro-Hollywood (RED: Dit is een komische verwijzing naar modeldorp Madurodam) ontpopt Dollywood zich binnenkort echter tot een moderne filmfabriek. Er staat al een metalen skelet van een studio die het bedrijf een zakelijk uiterlijk zal geven. Het gebouw zal enkele malen groter worden dan de Cinetone studio’s aan de Duivendrechtse Kade, waar Joop Geesink vijftien jaar geleden schoorvoetend binnenkwam om een rommelhoekje voor zijn poppen te huren. Hij moest drie maanden vooruitbetalen, omdat niemand in die tijd veel zag in dat gedoe met poppen. Geesink was toen beginnen dertig en had al een druk leven als piccolo, varensgezel, decorspecialist, reclameman en poppenfilmmaker achter de rug. Zijn eerste schepping in de reclamesector was het schilderen van het woord „kapper” op de ruit bij een Haagse fietsenmaker. Het gebeurde beverig en zonder talent en er ging zo weinig reclame van uit, dat dit eerste werkstuk niet voor het nageslacht bewaard is gebleven. Veel vaster was de hand van Geesink toen hij enkele jaren later van zijn hospita verlof kreeg om op de ruit van zijn kamer „J. Geesink, reclametekenaar” te schilderen. De eerste de beste dag kreeg hij twee reacties van voorbijgangers. Zij wilden echter niets bij hem bestellen, maar voor hem werken. Geesink hield hen niet tegen, temeer daar één van de jongens hem een rijksdaalder per week toe wilde betalen. Erg rijk is hij daar niet van geworden, want enkele maanden later ging de zaak op de fles en Geesink in de kleinkunst. Hij had namelijk ontdekt dat zijn stem onder zijn tegenslag op zakelijk gebied niet had geleden en wilde hem nu verheffen om er geld mee te verdienen. Zijn optreden als zanger bleek geen succes te zijn. Hij zong enkele keren voor lege zalen, vervolgens voor lege tenten en tenslotte weer gewoon in de badkamer. Daar zingt hij nog bijna dagelijks zijn succesliedje, „Home on the ranch”, dat (His Masters Voice?) tevens de naam van het personeelsblad van Dollywood is.
Decorbouwers vertimmeren wat aan een Zuidzee-eiland waarop twee poppen onder een boom liggen te wachten op hun volgende levenstekens. Honderdvijftig mensen leveren vijftig de bijdragen voor hun levensloop.
Gevelreclames
In 1937 verscheen er in de Residentie Bode een zeer gemengd bericht over een zekere Joop Geesink, die de stoute schoenen had aangetrokken om in Parijs de luchtige decors van de Folies Bergères te ontwerpen. Dat bezorgde hem na terugkomst een opdracht tot het schilderen van gevelreclames voor tamelijk realistische Franse films, waarover heel Den Haag schande sprak, behalve dan bij de directie van het theater die op volle zalen kon rekenen.
In zijn vrije tijd tekende Geesink een reclameboekje voor de Spoorwegen, dat bij snel doorbladeren een bewegend figuurtje te zien gaf. (RED: Dit is later bekend geworden als "flipboekje"). Dat was de eerste stoot tot het oprichten van een tekenfilmindustrie, waarin behalve Geesink, ook Marten Toonder de hand had. Samen maakten zij de tekenfilm “Pirus Pendelaar”, die in het begin van de oorlog gereedkwam.
Geesink bleef echter zoeken naar een uitdrukkingsmogelijkheid waarbij hij meer ruimtelijk te werk kon gaan. Op zekere dag kreeg hij bezoek van een vriend, die een rubberpoppetje voor hem neerzette, waarvan hij hals en ledematen naar believen kon verwringen. „Dat is het,” sprak Geesink en gaf het poppetje meteen ’n hoofdrol in zijn eerste poppenfilm. Dit product leverde zesduizend gulden en een nieuwe opdracht op. De eerste film-pop kreeg een nageslacht van 12.000 poppen, die na gebruik in schoendozen werden opgeslagen. Soms krijgt er een nog weleens ’n figurantenrol in een nieuwe poppenfilm, maar daarmee is voor hem de kous af. Dat heeft de pop dan gemeen met de echte filmsterren van de Nederlandse speelfilmindustrie, maar die liggen zich over het algemeen minder gemakkelijk bij hun lot neer. Dollywood heeft echter slechts sterren in dienst die Geesink naar zijn hand kan zetten en die pas onhandelbaar worden als hun zachtkoperen binnenwerk door metaallmoeheid is aangetast. Behalve van gewone poppen bedient Geesink zich van papieren poppen (tienduizend per filmpje van ongeveer tien minuten) en dooie dingen als flessen en blikken die met behulp van iets meer dan een opener tot leven worden gewekt.
Levend materiaal
Joop Geesink is ook directeur van Starfilms, Dollywood-Italiaana en ’n firma die zich bezighoudt met het ontwerpen van stands voor tentoonstellingen. Starfilms werkt met levend materiaal in films waarin mooie meisjes artikelen als tandpasta en zonnebrandolie aanprijzen. Mooie meisjes waren en zijn er in Nederland genoeg, maar slechts weinigen van hen bleken door de jaren heen geschikt of bereid om een rol in een commercieel filmpje te spelen. Geesink kon slechts over enkele beschikken en kreeg daardoor moeilijkheden met zijn opdrachtgevers. Het kwam namelijk weleens voor dat hetzelfde meisje haar fraaie gebit in filmpjes van elkaar concurrerende tandpastafirma’s etaleerde. Dat schreeuwde om wraak, en om daarvan af te zijn, stichtte Geesink een filiaal in Rome, waar de zon bijna altijd schijnt en de filmmeisjes in dichte drommen komen opzetten als er zonnebrandolie of tandpasta aan de man moet worden gebracht. Een andere reden waarom Geesink de produktie van reclame-speelfilms naar het zuiden verplaatste, was het invoerverbod op buitenlandse reclamefilmpjes, dat in 1960 door de Italiaanse regering werd uitgevaardigd. In Rome rekent men Joop Geesink nu als een kei-harde handelaar in reclame-speelfilms. Dat doet hem oprecht deugd, omdat hij er genoeg van heeft als een plastische poppenchirurg te worden beschouwd.
„Het zit me tot hier, om overal waar ik kom een dubbelzinnige vertedering op te wekken. Dan voel ik me een spullenbaas,” zegt hij. Spullenbaas is een vreemde naam voor een man die met zijn films zeventig prijzen heeft gewonnen, in Nederland honderdvijftig man personeel in dienst heeft, een grote voorraad reclamefilmpjes voor de tv heeft klaarliggen om te gereed te zijn zodra de Trossen worden uitgegooid en Remmen losgegooid, zevenhonderd tot achthonderd films per jaar aflevert en Nederland misschien zal opknappen met het pretpark „Holland-Promenade”. Maar hoe men je eigenlijk een geweldig aardige als een ware Anton Geesink de zuilen omtrekt waaraan men hem toch te binden en internationale roem vergaat. Juist, de Samson van de Nederlandse filmkunst!
Bron: Revue, 17 april 1965
Terug naar artikel overzicht






